Home‎ > ‎Policy‎ > ‎

Helpt een crisisbelasting op grote vermogens?

Gepubliceerd in De Standaard op 23 april 2020

De impact van de coronacrisis op de overheidsfinanciën is ongezien. De eerste inschattingen van het IMF, de Nationale Bank en het Planbureau zien de overheidsschuld stijgen naar 115% van het BBP. Ook de enorme onzekerheid bij deze voorspellingen is ongezien. Als de epidemie langer aanhoudt dan verhoopt en een vaccin op zich laat wachten, dan kan in de meest pessimistische voorspellingen de schuldgraad uitkomen op 150%.

Toch stellen Leuvense en Gentse economen dat er geen reden is voor paniek. De eerste prioriteit is het indammen van de gezondheidscrisis en het beschermen van het economisch weefsel. Als we het hoofd koel houden, en niet gaan besparen, dan zorgen economische groei en een lage rente dat de schuldgraad op lange termijn vanzelf weer daalt. De grotere uitdagingen blijven de stijgende kosten van de pensioenen en de gezondheidszorg, en het terugdringen van de tekorten van de Zweedse regering. Het verschil zit in het eenmalige karakter van de coronacrisis, en in het structurele karakter van de bestaande en toekomstige tekorten.

Toch klinkt de roep om een crisisbelasting op grote vermogens steeds luider. Niet alleen politici van Groen, sp.a en PVDA zijn voorstander. Ook binnenlandse en buitenlandse academici zoals Bea Cantillon, Paul De Grauwe en Iván Werning vragen expliciet om een progressieve vermogensbelasting, en ook de financiële krant Financial Times verzet zich niet langer tegen het idee. Wat te denken van deze stellingnames? Is dit een ideologische kramp, of kan zo’n belasting toch een goed idee zijn?

In normale omstandigheden kanten de meeste economen zich tegen een vermogensbelasting. Een vermogensbelasting is een bot instrument om te herverdelen, omdat het geen rekening houdt met verschillen tussen investeerders. Bovendien loopt de kost van zelfs een kleine jaarlijkse belasting al snel op als de jaren verstrijken. Ten slotte verergert een jaarlijkse vermogensbelasting de impact van recessies: de belasting blijft immers even hoog, zelfs wanneer de winsten dalen.

Economen pleiten dan ook voor een brede belasting op werkelijke inkomsten uit vermogen, inclusief huurinkomsten en meerwaarden. Het vermogen zelf moet slechts worden belast bij schenkingen en erfenissen, aangezien deze een inkomen vormen voor de ontvangers. Enkel bij excessieve vermogensongelijkheid, met bijvoorbeeld schadelijke effecten voor de democratie, is een jaarlijkse vermogensbelasting aangewezen.

Toch laten de economische modellen een opening. Bij zeer uitzonderlijke schokken, bijvoorbeeld na een oorlog, kan het toch goed zijn om een vermogensbelasting te heffen. De economische schade door zo’n eenmalige vermogensbelasting is veel kleiner dan bij een jaarlijkse inning. Men belast immers vermogens die reeds vergaard zijn. Zolang investeerders geloven dat de belasting uitzonderlijk is, blijft het effect op hun toekomstige beslissingen beperkt. Bovendien bedraagt het totale vermogen in België meer dan vijf keer het BBP. Zelfs een kleine aanslagvoet, met beperkte economische schade, brengt heel wat op.

Bevinden we ons vandaag in zo’n uitzonderlijke situatie waarbij we grote vermogens wel moeten belasten? Wegen de voordelen van zo’n belasting op tegen de kosten? Dat hangt af van de antwoorden op twee vragen. Hoe groot zal de druk zijn op de regering om de schuld alsnog versneld af te bouwen? En hoe zorgen we voor een rechtvaardige verdeling van de impact van de coronacrisis?

De eerste vraag is dus of de regering er werkelijk in slaagt om de gestegen schuld te negeren. Het klinkt immers contra-intuïtief dat de schuld vanzelf weer zal verdwijnen. Commentatoren en beleidsmakers trekken psychologische grenzen in de overheidsfinanciën, en verhogen zo de politieke druk om in te grijpen. Bovendien is het niet zeker dat Europa mild zal blijven. Nu al klinken Duitse stemmen die de schulden na de crisis weer snel willen verlagen.

De kans is daarenboven reëel dat de Europese instellingen er niet in slagen om een nieuwe, diepere eurocrisis te voorkomen. Dan moet blijken of België bij de veilige landen hoort, of bij de verdachte landen. Opnieuw stijgt de druk om de schuld versneld te verlagen, om te voorkomen dat de rente op Belgische obligaties stijgt en de schuld exponentieel gaat toenemen.

Als de regering, onder die druk, toch zou beslissen om de schuld versneld af te bouwen, dan is een uitzonderlijke vermogensbelasting minder schadelijk dan belastingen op inkomens of grote besparingen in de sociale zekerheid.

De tweede vraag gaat over de verdeling van de lasten van de crisis. De overheid garandeert vandaag bijvoorbeeld heel wat leningen, om het economisch weefsel te beschermen. Bovendien boeken een aantal sectoren exceptionele winsten tijdens de crisis. Denk bijvoorbeeld aan bedrijven die online hun diensten aanbieden. De overheid deelt vooral in de verliezen, en minder in de winsten. Ten slotte creëert de overheid heel wat vermogen tijdens de crisis. Wie zijn inkomen behoudt, en door de lockdown veel spaargeld aan de kant zet, heeft dat eigenlijk te danken aan een overheid die de economie overeind houdt. De morele vraag stelt zich dan of we geen uitzonderlijke bijdrage moeten vragen van mensen die het best door de crisis komen? 

Is een crisisbelasting op vermogens nu wenselijk? Het zal afhangen van de druk om de overheidsschuld versneld af te bouwen, en van wat we als samenleving een rechtvaardige verdeling vinden van de lasten. Zeg in ieder geval niet dat economen per se tegen zijn.